Klompen V&R

Historie

Een cultuur valt droog: ontstaan van het Zuiderzeemuseum

Het Zuiderzeemuseum is in 1948 opgericht om de visserijcultuur rond de voormalige Zuiderzee vast te leggen. Toen de Zuiderzee in 1932 van de Noordzee werd afgesloten en een binnenmeer werd, waren veel mensen bezorgd dat daarmee ook de cultuur van het voormalige Zuiderzeegebied geheel zou verdwijnen. Daarom hebben 140 historische gebouwen een plek gekregen in het openluchtgedeelte van het Zuiderzeemuseum.

Plan voor een levend museumdorp

De vereniging​ Vrienden van het Zuiderzeemuseum, opgericht in 1947, zorgde ervoor dat de realisatie van het Zuiderzeemuseum concrete vormen aannam. In 1948 opende het binnenmuseum zijn deuren. Het bestond uit het monumentale Peperhuis en vijf aangrenzende gebouwen. Het zou echter nog tot 6 mei 1983 duren voordat het buitenmuseum voor het publiek werd geopend.

Water werd land

Het museumdorp werd gebouwd in het IJsselmeer, aan de buitenkant van de zeewerende muur, die Enkhuizen aan de oostzijde afsluit van het water. Door zand op te spuiten, ontstond hier een schiereiland. Het eerste plan voor het openluchtgedeelte van het Zuiderzeemuseum dateert uit 1946. De toenmalige directeur Siebe Jan Bouwma (1899-1959) had dit ontwikkeld. Pas in 1968 startte de bouw van het openluchtgedeelte. Het eerste gebouw dat verrees, was de kapel uit Den Oever.

Op zoek naar huizen

Om de meest geschikte huisjes te selecteren voor het museumdorp, gingen medewerkers van het Zuiderzeemuseum langs gemeenten rond de voormalige Zuiderzee. In 1967 kregen deze gemeenten allemaal een brief met de vraag ‘of zich in uw gemeente wellicht gebouwen of gebouwtjes bevinden, die als karakteristiek mogen gelden voor haar voormalige ligging aan de oevers der Zuiderzee en die op de nominatie staan om binnen afzienbare tijd te worden gesloopt’. Veel van de gemeenten reageerden spontaan en positief op de oproep; huizen uit Kampen en Harderwijk zijn zo in het Zuiderzeemuseum terechtgekomen. Slechts in een enkel geval heeft het museum een huis gekocht, de meeste zijn geschonken door de betreffende gemeenten.

Aanleggen van buurten

Bij de definitieve situering hield het Zuiderzeemuseum niet alleen rekening met de geografische herkomst, de functie en het sociale milieu van het huisje, maar ook met de bouwstijl, de grootte en de geveldeel waarin het zou worden opgenomen. Onderdelen van de oude plattegronden van Zuiderzeesteden werden gebruikt en zo samengevoegd, dat ze een natuurlijk geheel vormden. Ook straten, paadjes, sloten en grachtjes kregen precies dezelfde maten als die op de oude plattegronden. Historisch verantwoorde bestrating, beschoeiing, beplanting en erfafscheiding moesten het geheel compleet maken. Zo ontstonden de verschillende buurtjes: de kerkbuurt, de dijk, de stadsgracht en het vissersdorp met tussen deze laatste twee een poldertje. Het Marker buurtje met de vissershaven is het laatst gebouwde buurtje.

Transport in fragmenten

Om het karakter van de bouwwerken – waarbij sporen van gebruik, reparaties en weersinvloeden horen – te waarborgen, werd besloten sommige gebouwen in fragmenten te verplaatsen. Grote onderdelen werden in een ijzeren frame gepakt en voorzien van hijsogen. De gevel werd met planken en houten wiggen in het frame geklemd.

Transport van complete huizen

Daarnaast zijn er ook huizen in hun geheel overgebracht naar het museum. In 1971 gebeurde dit voor het eerst met één van de laatste vissershuizen uit Vollenhove. Onder de muren werd een raamwerk van zware, ijzeren balken aangebracht, dat als slede diende. Met schoren, stutten en kabels werd het huis ingepakt en verstevigd, waarna het geheel door twee hijskranen van zijn plaats werd gelicht en naar de haven vervoerd. Daar werd het op een dekschuit geladen en over het IJsselmeer naar Enkhuizen gevaren. In het buitenmuseum werd het huis zijdelings op de wal gesleept en tussen twee kranen naar het fundament gereden. Zowel huizen van steen, als van hout zijn op deze wijze verplaatst. Het meest spectaculair was de verplaatsing van het kaaspakhuis uit Landsmeer in 1980.

Finishing touch

Niet alle huizen die op het wensenlijstje stonden, werden uiteindelijk overgebracht naar het Zuiderzeemuseum. Sommige gebouwen waren rijksmonument of hadden in hun dorp of stad een belangrijke positie. Om de huizen wel op te nemen in de plattegrond van het Zuiderzeemuseum en een zo kloppend mogelijk beeld te creëren, is besloten replica’s te maken. Het origineel werd dan ter plaatse opgemeten. Hierdoor zijn het reddingboothuis, het schooltje uit Kollum en het Kamperbuurtje toch in het museum te zien.